“Zelfs in gecremeerde tanden ontdekken we wat prehistorische mensen aten”
Wat aten mensen in de bronstijd? En in de vroege middeleeuwen? Waren ze honkvast, of net heel mobiel? Isotopenanalyses van tanden en beenderen vertellen een deel van het verhaal. VUB-professor Christophe Snoeck zette een methode op punt waarmee zelfs gecremeerde – en dus zwaar beschadigde – skelet- en gebitsresten hun geheimen nog prijsgeven.
De onderzoeksgroep AMGC (Archaeology, Environmental Changes & Geo-Chemistry) is gekend voor haar onderzoek naar de evolutie van ons zonnestelsel en naar klimaatsystemen. Maar ook in de archeologie is het een klinkende naam. De wetenschappers delen dezelfde laboratoria, clean labs en apparatuur voor hun onderzoek. Professor Christophe Snoeck, burgerlijk ingenieur chemie en archeoloog, focust op verbrande menselijke en soms ook dierlijke resten.
“Inwoners van het middeleeuwse Ieper aten graan uit Noord-Frankrijk”
Massaspectometrie is een zeer gevoelige techniek om de elementaire en isotopische samenstelling van een staal te bepalen. Dit soort onderzoek moet in een clean lab gebeuren. In zo’n lab zorgen filtersystemen ervoor dat alle elementen van buitenaf, inclusief strontium, weg gefilterd worden. Zo kan de hoeveelheid strontium in de stalen ‘zuiver’ gemeten worden, zonder achtergrondvervuiling.
Christophe Snoeck: “We hebben inmiddels twee clean labs in de onderzoeksgroep AMGC. De eerste sinds 2021, gefinancierd via een ERC Grant die ik heb binnengehaald, de tweede sinds de zomer van 2025, dankzij een ERC Grant voor mijn collega professor Steven Goderis. Het spreekt vanzelf dat we die faciliteiten delen.”
Sinds 2018 leidt Christophe projecten die zowel op het vlak van samenwerking als geografische verspreiding steeds ambitieuzer worden. In het CRUMBEL-project bestuderen wetenschappers van VUB, ULB en UGent samen gecremeerde botten uit België, van het Neolithicum tot de Vroege Middeleeuwen. Het LOCO-project - een samenwerking van VUB, UGent en KU Leuven – neemt voor diezelfde periode ook de mobiliteit van mensen, materialen en ideeën mee. En de ERC Starting Grant LUMIERE gaat in een breed Europees netwerk op zoek naar nieuwe methoden om verkoold bot te bestuderen. In dat kader ontwikkelt Christophe ook een Europese kaart van biologisch beschikbaar strontium.
Christophe Snoeck: “We werken samen met onderzoekers uit Kroatië, Slovenië, Griekenland, Portugal, Frankrijk, Spanje, Polen,… Door Belgische vondsten te vergelijken met vondsten uit andere Europese sites, gaan we bredere migratiepatronen kunnen identificeren. Sommige sites tonen veel mobiliteit, andere nauwelijks.”
Dit laatste bleek ook al uit een ander onderzoek waarbij Christophe betrokken is. Voor het Make-Up of the City project, een interdisciplinair onderzoeksprogramma aan de VUB met historicus professor Bart Lambert, onderzochten VUB-wetenschappers zo’n 1.200 skeletten uit de Sint-Niklaasparochie in Ieper, uit de periode van 1000 tot 1800. Veel geschreven bronnen over deze periode zijn tijdens de eerste wereldoorlog vernietigd. Via die weg is er dus niet heel veel bekend over waar mensen vandaan kwamen, wat ze aten en hoe gezond ze waren.
“Vanaf de Romeinse tijd is men plots veel meer zout gaan eten”
Christophe Snoeck: “Wij hebben de skeletten bestudeerd en isotopenanalyses gedaan van botten en tanden. Daaruit bleek onder andere dat de mobiliteit van de dertiende tot de vijftiende eeuw in Ieper beperkt was: mensen verhuisden van de omliggende dorpen naar de stad of omgekeerd, maar niet veel meer dan dat. Dat betekent niet dat er geen contacten waren. Het graan dat de Ieperaars aten, kwam bijvoorbeeld niet vaak uit de eigen streek, maar onder andere uit Noord-Frankrijk. Ons onderzoek bevestigt zo wat historici al vermoedden uit historische bronnen. Dit Make-Up of the City project wordt nu ook uitgebreid naar Brugge en Gent.”
Isotopenanalyses van bot- en tandresten brachten ook aan het licht wanneer we in onze streken zoutrijker zijn gaan eten. Dat was in de overgang van de IJzertijd naar het Romeinse tijdperk. De belangrijkste reden was waarschijnlijk de opkomst van ‘garum’, een Romeinse vissaus die als smaakmaker gebruikt wordt.
Christophe Snoeck: “Die snelle shift naar een zoutrijk dieet zien we heel duidelijk in de chemische samenstelling van gecremeerde botten en tanden. Onze analyses bevestigen zo opnieuw wat we al wisten uit schriftelijke bronnen en archeologische vondsten: ook in aardewerk zijn er sporen van garum teruggevonden.”