“Niets mis met de lipstick van de rector"
Caroline Pauwels was onze rector, maar hadden we haar niet beter onze rectrix genoemd? En waarom verandert een groepje alumnae plots in alumni wanneer er één alumnus bij komt staan? Genderneutrale functietitels alleen zullen van de universiteit – en van de wereld – geen gelijkere plek maken, waarschuwt professor Rik Vosters. “Inclusief taalgebruik heeft een effect, maar dat is beperkt. Structurele genderongelijkheid los je er niet mee op, maar taal kan wel een goede aanleiding zijn voor reflectie en bewustwording.”
‘Bij de VUB schrijven we zo inclusief mogelijk’, aldus het huisstijlboek van de universiteit. ‘Verwijzen we naar een functietitel, dan gebruiken we standaard de mannelijke vorm van het woord om de vlotheid van de tekst niet onderuit te halen. Het is dus rector, vicerector, professor, onderzoeker en student’. Nu jij en dan wij weer, professor Vosters!
Rik Vosters: “Alle begrip voor de huisstijlrichtlijnen, maar persoonlijk ben ik geen grote voorstander van dit soort erg algemene adviezen. Talige keuzes worden altijd door je doel bepaald. In een vlotte marketingtekst, zonder weerhaakjes, kun je inderdaad met neutrale functietitels werken. Dan ga je het bijvoorbeeld over wetenschappers hebben. Maar wil je bewustwording creëren, dan is het soms zinvol om mannelijk en vrouwelijk net wel zichtbaar te maken. In dit geval kan je dan over wetenschappers en wetenschapsters schrijven. Dat schuurt een beetje, maar dat mag.”
Veel mannelijke functietitels – rector, professor, onderzoeker – ervaren we vandaag als genderneutraal.
“Rectrix is de vrouwelijke vorm van rector, net zoals dominatrix de vrouwelijke vorm van dominator is. Maar niemand verwijst naar een vrouwelijke rector met rectrix. Professor klinkt ook ogenschijnlijk neutraal, want er is niet meteen een evidente vrouwelijke tegenhanger.”
En toch zijn dit van oorsprong mannelijke woorden?
“Zeker, al voelen ze zo niet meer aan. Nu worden ze genderneutraal gebruikt, maar toch is er nog een valkuil waarvan we ons bewust moeten zijn: bij het woord rector of professor denken veel mensen nog altijd onbewust aan een man, omdat het functies zijn die lang bijna alleen door mannen uitgeoefend werden. Als ik het tegen studenten over ‘de lipstick van de rector’ heb, kijken ze steeds een beetje verrast op. Ook al lijkt rector een genderneutrale term, omdat er geen courante vrouwelijke term tegenover staat, blijft het woord mannelijke associaties oproepen.”
Met het woord onderzoeker is dat effect minder groot?
“Wellicht omdat er op dat niveau al meer genderbalans is. Hoe hoger op de academische ladder, hoe minder vrouwen en hoe sterker de mannelijke connotaties.”
“Studentinnen, dat klinkt me te archaïsch in de oren”
Je doceert zelf aan studenten en studentes. Hoe spreek je hen aan?
“Een mail zou ik met ‘beste studenten’ beginnen. Maar ik heb soms ook groepen waarin alleen vrouwen zitten. Dan kan je wel het woord studentes gebruiken. Een gepensioneerde collega heeft het altijd over studentinnen. Daar krullen mijn mondhoeken onwillekeurig van omhoog, omdat me dat zo archaïsch in de oren klinkt.”
Het woord alumnus moeten we verbuigen, door de Latijnse uitgangen.
“Het is inderdaad alumnus en alumni voor mannelijk enkelvoud en meervoud, en alumna en alumnae voor vrouwelijk enkelvoud en meervoud.”
Maar voor een gemengd meervoud – één man erbij is genoeg - moeten we wel alumni schrijven. Of moet er just niks?
“Dat soort van voorschriften ligt vandaag toch wel onder vuur. Ook al noemen sommige behoudsgezinde stemmen het gewoon een neutrale grammaticale regel, die niets met gender of de maatschappij te maken heeft. Dat is natuurlijk onzin: het zijn keuzes die we maken, waarbij ongelijkheden uit het verleden in de taal blijven nazinderen. Voor mijn part schrijf je alumni en alumnae, of gebruik je een ontwijkingsstrategie en heb je het over afgestudeerden. Zo sluit je ook geen mensen uit die zich niet als vrouw of man identificeren.”
Over naar het UZ Brussel, het ziekenhuis van de VUB. Hoewel er al jaren meer vrouwen dan mannen in de geneeskunde afstuderen, duurde het toch tot 2013 voor de Orde van Geneesheren het woord 'geneesheer' door 'arts' verving.
“Geneesheer houd je niet vol met een overwicht aan vrouwelijke dokters. Toch heb je ook hier weer die blinde vlek: als mensen aan een arts denken, denken ze nog heel vaak aan een wat oudere, witte man.”
“Men zocht een oplossing voor mannen die zich ongemakkelijk voelden als verpleegster”
Vrouwelijke beroepstitels blijken minder hardnekkig: ze worden sneller vervangen dan mannelijke.
“Dat klopt. Genderoverkoepelende termen in overwegend vrouwelijke beroepen als leerkracht en verpleegkundige zijn al een hele tijd ingeburgerd. Die voelen niet vreemd meer aan. Blijkbaar vond men al vroeg dat er een oplossing nodig was voor die paar mannen die zich ongemakkelijk voelden als verpleegster. Dat was sneller geregeld dan die geneesheren.”
Verpleegster klinkt nu zelfs een tikkeltje… neerbuigend misschien?
“Die connotatie is er inderdaad. Net zoals het woord juf voor een vrouw die voor de klas staat.”
Is het ook daarom dat vrouwelijke managers liever directeur dan directrice genoemd worden?
“Directrice associëren we tegenwoordig meer met een lagere school dan met een afdeling van een internationaal bedrijf. Die evolutie is nog niet gedaan. Ook in het onderwijs zal de opmars van vrouwelijke directeurs wellicht niet te stoppen zijn.”
In de materniteit van het UZ Brussel loopt wel nog één trotse mannelijke vroedvrouw rond.
“Dat is mooi. Maar misschien toch eerder uitzonderlijk?”
“Feministen in de jaren zeventig legden al goed bloot hoe de patriarchale dominantie in de taal weerspiegeld wordt”
Is dat een tendens vandaag: meer genderneutrale beroepstitels, ook al zijn die vaak van mannelijke komaf?
“Naar mijn gevoel wel. Dat is een breuk met het militantere feminisme van de jaren '70 en '80 van de vorige eeuw. Toen werden vaak bewust vrouwelijke of dubbele functietitels geïntroduceerd, om te sensibiliseren voor gendergelijkheid. De Australische feministische taalkundige Dale Spender schreef daar in 1980 een nog altijd erg lezenswaardig boek over: Man Made Language. Daarin legt ze uit hoe de patriarchale dominantie weerspiegeld wordt in taal. De strijd toen ging erg vaak over concrete termen en constructies, zoals het zogenaamd generische masculinum: ‘elke student brengt zijn boek mee’, of ‘elke student brengt zijn of haar boek mee’.”
Hoe pak je die strijd vandaag aan?
“Eerst en vooral moeten we beseffen: taal is ook maar taal. We gaan fundamentele problemen van genderongelijkheid niet ten gronde oplossen door taalverschillen uit te wissen of fetisjistisch op enkele losse woorden te focussen, zonder aandacht voor de bredere beeldvorming en context. Dat gezegd zijnde: onderzoek toont wel degelijk aan dat inclusief taalgebruik een zeker effect kan hebben op mensen.”
Hoe dan?
“Vacatures zijn een mooi voorbeeld. Als een vacature inclusieve taal en vrouwelijke functietitels gebruikt, voelen vrouwen zich meer aangesproken om te solliciteren. Het effect is beperkt, maar het is er. Hetzelfde geldt voor studiebrochures. De communicatie moet wel passen bij de organisatie en haar waarden. Meisjes warm maken voor een STEM-richting waar dan alleen mannelijke professoren blijken te doceren, dat is niet geloofwaardig. Sleutelen aan de taal heeft pas zin als daar diepgaander beleid naast staat.”
Tot slot: we zijn nu alleen over mannen en vrouwen bezig geweest.
“Dat is inderdaad een andere moeilijkheid. Het debat ging vroeger vooral over mannelijke en vrouwelijke vormen in het taalgebruik, maar met genderneutrale termen kun je voorbij die strikte tweedeling gaan. Door enkel oog te hebben voor vrouwelijke vormen dreigen we namelijk mensen uit te sluiten die zich buiten dat binair genderspectrum bevinden. Nieuwe generaties feministen zien het vaak minder binair. Ze hebben terecht veel aandacht voor meervoudige ongelijkheid, waarbij gender slechts één mogelijke factor is.”
Patrick Van den Abeele, vroedvrouw in het UZ Brussel
“Ik ben een mannelijke vroedvrouw en daar ben ik trots op”
Pas in maart 2025 nam Van Dale het woord ‘vroedman’ in haar woordenboek op. Van die functietitel heeft Patrick Van den Abeele nooit wakker van gelegen. “Op mijn diploma staat vroedvrouw en daar ben ik altijd trots op geweest.”
“Eerst wilde ik sociaal verpleegkundige worden. Een stage in de materniteit van het UZ Brussel duwde me in een andere richting. De geboorte vond ik zo wonderlijk en indrukwekkend, dat ik een specialisatie vroedvrouw heb gevolgd. Ik kon in 1983 in het UZ aan de slag en ik werk daar nog altijd met evenveel plezier. Een medestudent en ik waren bij de eerste generatie jongens die op de kraamafdeling toegelaten werden, dankzij nieuwe antidiscriminatie-wetgeving. Vreemd eigenlijk, want bijna alle gynaecologen waren toen nog mannen.”
“Dat mannen zich niet zouden kunnen inleven in een vrouw die moet bevallen, heb ik altijd nonsens gevonden. Dan zouden kinderloze vroedvrouwen dat ook niet kunnen. Als vroedvrouw moet je wel zacht en zorgend zijn, en je kunnen inleven in de emoties die met een bevalling en het moederschap samengaan. Tegelijk is medische zorg ook technisch en moet je in crisissituaties nuchter en zelfverzekerd blijven. Die mix van ‘zachte’ en ‘harde’ zachte’ kwaliteiten verwacht je van elke vroedvrouw, of dat nu een man of een vrouw is.”
“De beste teams bestaan uit vrouwen én mannen, vind ik. We vullen elkaar aan. Maar ik zie niet meteen meer jongens voor de opleiding vroedkunde gaan. Tegenwoordig moet je vanaf het eerste jaar voor die richting kiezen. Op mijn achttiende zou het ook niet bij opgekomen zijn.”
Professor Rik Vosters is hoogleraar Nederlandse taalkunde aan de Vrije Universiteit Brussel, waar hij doceert binnen de opleidingen Taal- en Letterkunde en Toegepaste Taalkunde. Als sociolinguïst doet hij onderzoek op het snijvlak van taal en maatschappij, vaak in historische contexten, met aandacht voor thema’s als taalvariatie, taalverandering, meertaligheid en taalbeleid. Hij coördineert het FWO-onderzoeksnetwerk historische sociolinguïstiek en is sinds 2022 voorzitter van de Raad voor de Nederlandse Taal en Letteren, het centrale adviesorgaan van de Nederlandse Taalunie.