“Het doet er niet toe of je man of vrouw bent: je bent onderzoeker”
Vier wetenschappers in het bestuur van de VUB hebben geen moment spijt van hun carrière. Maar zelfs voor de meest strijdlustigen was het soms flink slikken. In dit gesprek blikken ze terug op hun parcours in de academische wereld: hoe zij als vrouw hun carrière hebben ervaren, wat ze als vrouw hebben kunnen toevoegen, of ze onderweg nog drempels tegenkwamen en hoe ze laveerden tussen werk en privé – toen en nu, aan de VUB en daarbuiten. Dominique Maes, decaan Wetenschappen en Bio‑ingenieurswetenschappen: “Ik heb meermaals gezegd: er zit hier één vrouw en die mag weer voor secretaresse spelen.”
“De academische wereld is bijzonder competitief geworden, en dat zet persoonlijk geluk en collegialiteit onder druk”
Annick Hubin, oud-decaan Faculteit Ingenieurswetenschappen (2012-2016)
Annick Hubin: “Ik heb mijn carrière als vrouw in de ingenieurswereld opvallend positief ervaren. Toen ik in 1978 aan mijn studies begon, was minder dan 5% van de studenten vrouw en klonk er bij sommige professoren—zeker niet allemaal—een vleugje scepsis: ‘Waarom wil je als vrouw ingenieur worden?’ Maar eenmaal ingenieur—later doctor‑ingenieur en uiteindelijk professor—heb ik mijn academische loopbaan kunnen uitbouwen zonder me geremd te voelen als vrouw. Ik vond een mooie balans tussen wetenschappelijk onderzoek en onderwijs, tussen samenwerking met de industrie en leidinggeven, eerst in mijn vakgroep en mijn faculteit ingenieurswetenschappen, en gaandeweg ook daarbuiten, zowel nationaal als internationaal."
"Wat ik als vrouw heb kunnen toevoegen? Voor mij is de kern dat we hebben aangetoond dat het er niet toe doet of je man of vrouw bent: je bent ingenieur, met specifieke interesses en competenties. Het komt erop aan te ontdekken waar je goed in bent, dat maximaal te valoriseren, en niet overal haantje‑de‑voorste willen zijn. In teamverband, met respect voor elkaars sterktes, realiseer je veel meer dan wanneer je cavalier seul speelt. Of ik drempels heb ervaren, of me meer moest bewijzen dan mannen? Neen—en dat is net het fantastische aan de academische wereld: we worden gewaardeerd op basis van onze competenties en onze persoonlijkheid. Uit gesprekken met vrouwelijke ingenieurs in de industrie weet ik wel dat het daar soms moeilijker kan zijn."
"Wat de work‑life balance betreft: die heb ik gevonden doordat ik goed kan delegeren, professioneel én privé. Dat liet me focussen op wat ik goed én graag doe, successen boeken en tegelijk beschikbaar zijn voor mijn gezin en mijn professionele entourage—en ja, zelfs tijd overhouden voor mezelf. Als decaan was een van mijn eerste ingrepen het vermijden van avondvergaderingen. Ik zie dat ook mannelijke collega’s daar blij mee zijn—het geeft ruimte om ’s avonds de kinderen van school te halen; vroeger was dat niet altijd vanzelfsprekend. Tegelijk is de prestatiedruk sterk toegenomen. Ik had het gevoel tijd te krijgen om als onderzoeker en prof te groeien en mijn weg te zoeken; nu is de druk enorm hoog vanaf het begin. De academische wereld is bijzonder competitief geworden, en dat zet persoonlijk geluk en collegialiteit onder druk.”
“Ik lach wel eens dat ik 7 bodyguards heb”
Dominique Maes, decaan faculteit Wetenschappen en Bio-ingenieurswetenschappen
Dominique Maes: “Toen ik jaren geleden begon, was ik vaak de enige vrouw in een vergadering met ZAP‑leden. En telkens als er iemand moest notuleren, keken ze automatisch naar mij. Ik heb meer dan eens gezegd: er zit hier één vrouw, en die mag weer secretaresse spelen. Dat soort mannelijk machogedrag kwam toen geregeld voor, al merk ik dat nu nauwelijks nog."
"Ik zie wel dat vrouwen andere accenten leggen. In overlegmomenten over onderwijs of welzijn zijn vrouwen steevast goed vertegenwoordigd, terwijl mannen eerder opdagen als het over onderzoek gaat. Bij veranderingen valt het mij op dat sommige collega’s eindeloos willen discussiëren over achterliggende redenen, terwijl anderen – vaak vrouwen – sneller en systematischer naar oplossingen grijpen. Dan denk ik soms: laten we stoppen met zagen en gewoon vooruitgaan."
"Work‑life‑balance blijft een uitdaging in de academische wereld, maar bij jongere collega’s zie ik echt een mentaliteitswijziging. Ze hechten meer belang aan evenwicht en nemen thuis een actieve, zorgende rol op. Dat creëert een cultuur waarin het normaal wordt om werk en privé in balans te houden. Genderquota hebben voor mij zowel positieve als negatieve effecten gehad. In het begin voelde het alsof ik in allerlei commissies moest zetelen, terwijl mannelijke collega’s meer tijd hadden voor onderzoek. Maar tegelijk gaf het me inzicht in hoe de universiteit werkt, en daaruit groeide mijn ambitie om zelf aan het beleid bij te dragen."
"Als man had ik die kansen misschien niet gekregen – of niet op dezelfde manier benut. Het was uiteindelijk Caroline Pauwels die me dat eerste duwtje richting het decaanschap gaf, omdat ze het betreurde dat er toen geen enkele vrouwelijke decaan was. Dat ik in 2023 de eerste vrouwelijke decaan werd van de faculteit Wetenschappen en Bio‑ingenieurswetenschappen, vind ik nog altijd opvallend. Bovendien zijn alle andere, huidige decanen mannen. Ik lach wel eens dat ik 7 bodyguards heb, terwijl mijn collega’s het al eens hebben over ‘Sneeuwwitje en haar 7 dwergen’. Het zegt genoeg over waar we vandaan komen – en hoeveel werk er nog altijd te doen is.”
“Ik geef het grif toe: ik heb tegenover mijn PhD‑studenten en jonge collega’s altijd een soort moedergevoel gehad”
Yvette Michotte, oud-vicerector Onderwijs en Studentenzaken (2008-2016)
Yvette Michotte: “Ik kijk met veel dankbaarheid terug op mijn carrière aan de VUB, omdat ik me er kon ontplooien en elke kans kon grijpen die op mijn pad kwam. Doordat ik ben opgevoed met waarden die nauw aansluiten bij die van de universiteit, voelde de VUB vanaf het begin — in de jaren ’70, toen gendergelijkheid amper bestond — als mijn natuurlijke biotoop. Hoewel ik vaak de enige vrouw was in vergaderingen en commissies, heb ik nooit het gevoel gehad dat ik daardoor ben benadeeld."
"Drempels heb ik zelf nooit bewust ervaren, wellicht omdat ik altijd steun heb gehad van mensen die in mij geloofden en bij wie ik terechtkon. Maar gendergelijkheid vond ik wel belangrijk. Ik heb altijd geprobeerd drempels te verlagen voor talentvolle vrouwen, hen te stimuleren en zelf een rolmodel te zijn. In mijn VUB‑tijd was er nauwelijks aandacht voor work‑life balance. Pas later, en zeker vandaag, staat dat veel hoger op de agenda. Dankzij de steun van mijn echtgenoot heb ik mijn carrière altijd kunnen combineren met tijd voor mijn gezin, vrienden en familie.
"Wat ik precies heb toegevoegd, blijft moeilijk te zeggen, maar misschien bracht ik een meer vrouwelijke aanpak mee: een sterk rechtvaardigheidsgevoel, een luisterend oor en de reflex om naar consensus te zoeken. Ik was behoorlijk ambitieus, maar opvallend genoeg werd ik doorheen mijn hele loopbaan telkens gevraagd om functies op te nemen: voorzitter van de Commissie Middelen van de Onderwijsraad in de jaren ’90, driemaal vicedecaan en uiteindelijk decaan van de faculteit Geneeskunde en Farmacie — tot vandaag de enige vrouw die die rol heeft vervuld. Vooral in die decaansfunctie had ik het gevoel écht het verschil te maken in een omgeving die sterk door mannen werd gedomineerd. Later vroeg Paul De Knop mij om vicerector Onderwijsbeleid te worden, een moeilijke beslissing, omdat ik toen een grote onderzoeksgroep en vakgroep leidde. In die rol kon ik jonge vrouwelijke onderzoekers coachen en hen het zelfvertrouwen en de kansen geven die ze verdienden. Ik geef het grif toe: ik heb tegenover mijn PhD‑studenten en jonge collega’s altijd een soort moedergevoel gehad. Maar ik ben de uitdaging van het vicerectorschap toch aangegaan."
"Maar ik zie hoe moeilijk het nu is voor jonge academici, zeker voor vrouwen: de werkdruk is immens, fondswerving is keihard competitief en de eisen voor output en onderwijs zijn torenhoog. Veel vrouwelijk talent gaat verloren doordat de drempels op de academische ladder simpelweg te hoog blijven. Precies daarom heb ik me na mijn emeritaat ingezet om het ZAP‑loopbaanbeleid te helpen hervormen, met meer aandacht voor werkdruk en een herziening van de evaluatiecriteria. Als we toekomstig talent willen behouden — in het bijzonder vrouwelijk talent — dan móét die verandering er komen.”
“Vroeger was de norm dat je je leven wijdde aan de wetenschap, en vakantie nemen werd bijna gezien als gebrek aan ambitie”
Nadine Engels, vicerector Onderwijs en Studentenzaken
Nadine Engels: “Toen ik in de eerste helft van de jaren ’80 afstudeerde, was het economisch een sombere tijd, met torenhoge inflatie en weinig kansen — zeker voor vrouwen, die toen maar een derde van de beroepsbevolking uitmaakten. De kans om aan de VUB te starten, zelfs al was het via korte vervangingen, greep ik daarom met beide handen aan. Twee jaar later pas kon ik kandideren voor een assistentenmandaat en aan een doctoraat beginnen. Dat lag vooral aan de context, niet aan mijn vrouw‑zijn."
"Wat ik vooral geprobeerd heb toe te voegen, is samenwerking stimuleren — mensen inspireren om elkaar te versterken, zowel in onderwijs‑ als onderzoeksteams. Ik denk dat dat gelukt is. Of dat aan mijn vrouw‑zijn lag? Misschien, maar ik ken genoeg tegenvoorbeelden. De zwaarste fase is die waarin je zowel een academische loopbaan opbouwt als kinderen krijgt. Ik wilde stilzwijgend bewijzen dat dit geen invloed had op mijn inzet: lange werkdagen, buitenlandse congressen, late vergaderingen… het hoorde er allemaal bij, al was het organisatorisch een hele uitdaging."
"Natuurlijk was er af en toe druk van old boys networks, die hun eigen protégés naar voren wilden duwen. Dan hoorde je vragen als: ‘Is die functie wel iets voor jou? Is je netwerk sterk genoeg? Voor een vrouw is dat misschien moeilijker?’ Maar als ik voelde dat ik de betere expertise had en inhoudelijk geïnteresseerd was, dan zette ik gewoon door."
"Intussen is er veel veranderd. Er is eindelijk aandacht voor work‑life balance. Vroeger was de norm dat je je leven wijdde aan de wetenschap, en vakantie nemen werd bijna gezien als gebrek aan ambitie. Ik herinner me een diensthoofd dat, toen ik 2 weken zomerverlof aankondigde, zei: ‘Tja, als je denkt dat je je dat kunt veroorloven…’ Vandaag durven jonge collega’s hun rechten op te eisen, ook aan de VUB, en staat welzijn veel hoger op de agenda. Mijn eigen loopbaan bleef uitdagend, maar de druk om altijd met je job bezig te zijn is verdwenen — en dat voelt bevrijdend. En zo is het goed.”